U gebruikt een verouderde browser. Wij raden u aan een upgrade van uw browser uit te voeren naar de meest recente versie.

 

Jan Schoonhoven

Jan Schoonhoven (1914-1994) behoort tot het selecte gezelschap dat de moderne kunst een ander gezicht gaf. De witte reliëfs, waarmee hij in de jaren zestig doorbrak, zijn opgenomen in vele museale collecties en brengen tegenwoordig prijzen op die richting een miljoen euro gaan. Bij menigeen roept het seriële spel van licht en schaduw contemplatieve gevoelens op. De gelijkmatigheid straalt rust en orde uit, er is geen sprake van een focuspunt, maar dankzij het handgemaakte karakter is het werk toch levendig en rijk aan subtiele verschillen. Inspiratie putte Schoonhoven uit de architectuur van Delft, de stad waar zijn hele leven woonde. Die relatie – uitgewerkt in tien thema’s – is het uitgangspunt van het boek Jan Schoonhoven, Delft dat eind 2015 is uitgekomen.  “Ik kan niet buiten Delft,” zei hij zelf, in 1972 in een interview met de Delftsche Courant.

De informatie op deze plaats betreft vooral Schoonhovens leven, minder zijn werk.

 

Jan Schoonhoven wordt op 26 juni 1914 in Delft geboren, een maand voordat de Eerste Wereldoorlog uitbreekt. In 1916 betrekken zijn ouders een nieuwe woning aan de Delfgauwseweg. Jan – de oudste van drie kinderen – is een zorgenkind. Hij is met een versteende nier geboren maar die wordt pas in 1937 ontdekt. Als hij zestien is stapt hij uit de kerk en wordt lid van de Revolutionair Socialistisch Arbeiderspartij. Hij volgt de vierjarige opleiding aan de academie in Den Haag maar zakt voor het examen. Zonder diploma en als actief communist is hij tot werkloosheid gedoemd. Hij leest de theoretische geschriften van onder andere Kandinsky en Paul Klee en experimenteert met de inzichten die zij uitdragen. Voor zijn vroege werk is weinig belangstelling. Haagse kunstenaarsverenigingen vinden hem te modern, in Amsterdam doet hij in 1938, 1939 en 1940 mee aan groepstentoonstellingen.

In 1942 vindt hij werk in de bibliotheek van Roodnat op de Markt. Daar komt in 1944 ook Anita de Geus werken. Ze worden verliefd en trouwen in 1945. Vanwege de woningnood trekken ze in bij Jans ouders. In 1950 wordt daar hun zoon Jaap geboren en ze blijven er tot 1958, het jaar waarin ze een eigen woning krijgen in de Kerkstraat. Als dat drie jaar later wordt afgebroken betrekken ze in het centrum van Delft een bovenwoning aan de gracht, Vrouwjuttenland 19, waar ze tot hun dood blijven wonen.

In 1946 wordt Schoonhoven aangesteld als ambtenaar bij de PTT en dat zal hij blijven tot zijn pensioen in 1979. Hij geniet er een vast inkomen en de gedisciplineerde structuur bevalt hem. Kunst maakt hij in zijn vrije tijd. De waardering voor wat hij maakt neemt toe als hij in 1956 deelneemt aan de Contour der Beeldende Kunst, een jaarlijkse kunstmanifestatie waarmee Museum Het Prinsenhof en Delft van 1951 tot en met 1967 een goed figuur slaan in de het Nederlandse wereldje van de hedendaagse kunst.

Huize Schoonhoven groeit uit tot een trefpunt van ambitieuze kunstenaars, zoals onder andere Henk Peeters, Armando, Jan Henderikse en Kees van Bohemen. Deze vijf richten in 1958 de Informele Groep op. Als daar in 1960 een eind aan komt richten zij, zonder laatstgenoemde, de Nul-groep op. Zij streven naar de grootst mogelijke objectiviteit. Kunst moet doodgewone dingen zo direct mogelijk aan de orde stellen en de inbreng van de kunstenaar moet minimaal zijn. Zo demonstreert Henk Peeters dat een plastic zakje al bijzonder wordt als je 126 stuks met water vult en het geheel in slagorde aan de muur hangt. Schoonhoven vertaalt de Nul-standpunten in zijn witte reliëfs, gemaakt van karton, papier-maché en witte muurverf. Door licht en schaduwwerking komen de reliëfs letterlijk tot leven. Het aanzicht ervan, blootgesteld aan daglicht, verandert sluipenderwijs. Inspiratie ontleent Schoonhoven aan zijn dagelijkse omgeving. Als, bijvoorbeeld, een muurrooster hem aanspreekt licht hij het uit zijn context en vereenvoudigt het tot een geometrisch vorm. Hij zweert bij handwerk, waardoor niets exact hetzelfde is.

Nederland is niet rijp voor de ideeën van de Nul-groep, maar door aan te haken bij geestverwanten in Duitsland, België, Frankrijk en Italië komt de zaak in beweging. Vooral het contact met de Zero-groep is vruchtbaar. Lang bestaat de Nul-groep niet. De vier leden gaan elk hun eigen weg en in 1965 wordt de groep geruisloos opgeheven. Voor Schoonhoven maakt het niet uit. Hij heeft zijn stijl gevonden, de deur naar de kunstwereld is wijd opengegaan en voortaan neemt een goede galerie zijn zaken waar.

Op de Biënnale in São Paulo krijgt Schoonhoven in 1967 de tweede prijs. Daarna is hij een gevierd kunstenaar en stijgt de vraag naar reliëfs zo snel dat hij voor de productie ervan assistentie moet inroepen. Eerst van studenten maar vanaf 1970 van Aad in ’t Veld die tot 1992 vrijwel alle reliëfs uitvoert. In 1969 wordt Schoonhoven in São Paulo met de eerste prijs  onderscheiden. In Duitsland doet hij diverse malen mee aan de Documenta.

Schoonhovens vrouw Anita is een levenslustige vrouw die veel jonge mensen aantrekt. Hun karig ingerichte bovenhuis wordt ’s avonds druk bezocht. Zij heeft haar kwaliteiten als schilder, exposeert in verschillende musea en haar werk verkoopt goed. Maar haar passie ligt bij jazzmuziek. Ze treedt op in bandjes en verwerft faam als organisator van jazzevenementen. Vanaf 1963 zet ze in Delft talloze grootheden uit Europa en Amerika op het podium, waaronder Sun Ra en Duke Ellington. Schoonhoven is een gewillige financier. Anita overlijdt in 1978 na een uitputtingsslag aan longemfyseem. Onder grote belangstelling van de jazzwereld wordt zij ter aarde besteld op begraafplaats Jaffa.

Schoonhoven kon niet zonder Delft. Hij putte inspiratie uit de architectuur van de stad, uit de afwisseling van gevels, de ritmiek van daken en huizen, de lichtval door de ramen in de Oude en de Nieuwe Kerk, maar ook uit details zoals stoepen, paaltjes, luchtroosters, smeedwerk, roosvensters, et cetera.

Na zijn pensionering, in 1979, maakte hij dagelijks ommetjes door de stad. De wandelingen worden fotografische expedities wanneer hij Truus Nienhuis – een huisvriendin – vraagt om hem met de camera te vergezellen. Schoonhoven laat haar architectonische details fotograferen die hem geïnspireerd hebben bij de ontwikkeling van zijn werk. Een scheef afgebroken paaltje, een muurrooster of kruisvormig hekwerk: hij beziet het met enthousiasme. De foto’s, die getuigen van een directe samenhang tussen stad en werk, zijn in 1988 en 1989 gepubliceerd in twee fotoboeken.

De religieuze opvoeding van Schoonhoven heeft zijn leven lang sporen nagelaten. Hoewel hij als zestienjarige uit de kerk stapt en het communisme omarmt, blijft hij flirten met het geloof. Vooral het katholicisme met zijn zintuiglijke rituelen spreekt hem aan. “Ik ben atheïst bij de gratie Gods” is een kenmerkende uitspraak. Hij zoekt rust in de kerk. De lichtval in gotische kathedralen is een belangrijke bron van inspiratie.

Schoonhoven heeft geen school gemaakt, maar jongere kunstenaars in Delft wel geïnspireerd door zijn dwarse levenshouding. Zijn volkse manier van doen maskeerde een grote belezenheid. Alles lag precies op de voorgeschreven plaats, maar hij kon zich ook volkomen in alcoholische beneveling laten gaan. Orde en chaos streden om voorrang: uit die kortsluiting ontstond een intense vorm van kunst.

Jan Schoonhoven stierf in stilte, in 1994. Hij liet nauwelijks bezittingen na. Als een waarachtig communist had hij alles met iedereen gedeeld.

 

Op de site van Paul Borsboom vindt u aanvullende informatie. Hij heeft ons hiervoor toestemming verleend. Wij zijn hem daarvoor ten zeerste erkentelijk.

http://www.paulborsboom.nl/jan-schoonhoven-nl-1914-1994-nl/